Onderpresteren bij hoogbegaafde kinderen: signalen, oorzaken en wat helpt
Je weet dat je kind veel kan.
Thuis stelt je kind ingewikkelde vragen, onthoudt het de kleinste details en kan het uren praten over onderwerpen die andere kinderen nauwelijks interesseren. Misschien kon je kind al vroeg lezen, rekenen of verbanden leggen.
Maar op school zie je daar steeds minder van terug.
De cijfers vallen tegen. Huiswerk wordt niet gemaakt. Je kind zegt dat school saai is, vergeet spullen, levert opdrachten half af of lijkt nergens meer moeite voor te willen doen.
School zegt misschien:
“Het zit er wel in, maar het komt er niet uit.”
Of:
“Als je kind gewoon wat beter zijn best zou doen, ging het prima.”
Langzaam ontstaat het beeld van een ongemotiveerde, slordige of zelfs luie leerling. Maar achter dat gedrag kan iets anders zitten: onderpresteren.
In deze blog lees je hoe je onderpresteren bij hoogbegaafde kinderen kunt herkennen, waardoor het kan ontstaan en wat jij samen met school kunt doen.
Wat is onderpresteren?
Bij onderpresteren laat een kind langere tijd minder zien dan op basis van zijn of haar mogelijkheden verwacht mag worden.
Dat betekent niet altijd dat een kind onvoldoendes haalt.
Een hoogbegaafde leerling kan zevens halen en toch onderpresteren. Wanneer een kind zonder veel inspanning redelijke cijfers behaalt, leert het namelijk niet altijd hoe het moet plannen, oefenen, fouten maken en doorzetten.
We kunnen daarom onderscheid maken tussen twee vormen.
Absoluut onderpresteren
Een kind presteert onder het gemiddelde van de klas of haalt onvoldoendes, terwijl er aanwijzingen zijn dat het meer aankan.
Relatief onderpresteren
Een kind haalt misschien gemiddelde of zelfs goede cijfers, maar werkt ver onder zijn eigen niveau. Het hoeft nauwelijks moeite te doen en ontwikkelt daardoor weinig leerstrategieën.
Onderpresteren gaat dus niet alleen over cijfers. Het gaat vooral over het verschil tussen wat een kind in potentie kan en wat er daadwerkelijk uitkomt.
Hoe herken je onderpresteren bij een hoogbegaafd kind?
Onderpresteren ziet er niet bij ieder kind hetzelfde uit.
Sommige kinderen worden stil en trekken zich terug. Andere kinderen worden boos, opstandig of storend. Weer andere kinderen lijken zich volledig aan te passen en vallen daardoor juist nauwelijks op.
Mogelijke signalen zijn:
wisselende of tegenvallende cijfers;
opdrachten niet afmaken;
huiswerk uitstellen of vergeten;
weinig inzet tonen voor schoolwerk;
alleen werken wanneer iets direct interessant is;
snel zeggen dat iets saai of nutteloos is;
slordigheidsfouten maken;
veel dromen of afwezig lijken;
storend of clownesk gedrag in de klas;
perfectionisme en niet durven beginnen;
boosheid bij fouten of kritiek;
weinig vertrouwen in het eigen kunnen;
opvallend verschil tussen praten en schrijven;
thuis veel kennis laten zien die op school niet zichtbaar wordt;
zich jonger of juist ouder gedragen dan leeftijdsgenoten;
buikpijn, hoofdpijn of vermoeidheid rond school;
steeds vaker niet naar school willen.
Eén signaal betekent niet meteen dat je kind hoogbegaafd is of onderpresteert. Kijk vooral naar het totaalbeeld en naar veranderingen over een langere periode.
“Hij kan het wel, maar hij doet het niet”
Dit is een zin die veel ouders van onderpresterende kinderen horen.
Daarmee lijkt het alsof een kind bewust besluit om zijn mogelijkheden niet te gebruiken. Alsof meer discipline of strengere consequenties het probleem kunnen oplossen.
Maar een kind dat jarenlang te weinig wordt uitgedaagd, kan belangrijke vaardigheden missen.
Denk aan:
leren omgaan met moeilijke opdrachten;
doorzetten als iets niet meteen lukt;
hulp vragen;
fouten verdragen;
plannen;
leren voor een toets;
grotere taken opdelen;
omgaan met onzekerheid.
Wanneer leren altijd gemakkelijk ging, kan de eerste echte uitdaging als een bedreiging voelen.
Een kind denkt dan niet:
“Dit is moeilijk, dus ik moet oefenen.”
Het kan denken:
“Dit is moeilijk, dus blijkbaar ben ik niet slim.”
Vermijden, uitstellen of afhaken beschermt het kind vervolgens tegen dat ongemakkelijke gevoel.
Waardoor ontstaat onderpresteren?
Onderpresteren heeft meestal niet één oorzaak. Vaak spelen verschillende factoren tegelijk.
1. De lesstof is lange tijd te gemakkelijk geweest
Wanneer een kind de uitleg al begrijpt voordat de leerkracht klaar is, kan het zijn aandacht verliezen.
Steeds opnieuw oefenen met iets wat je al beheerst, kan frustrerend zijn. Een kind kan daardoor stoppen met luisteren, slordig gaan werken of alleen nog het minimale doen.
Op den duur raakt het gewend aan presteren zonder inspanning.
2. Je kind heeft niet leren leren
Sommige hoogbegaafde kinderen komen jarenlang weg zonder te plannen of te oefenen.
Wanneer de lesstof later moeilijker wordt, bijvoorbeeld op de middelbare school, ontbreken de benodigde studievaardigheden. Het kind weet niet waar het moet beginnen en kan zich daarvoor schamen.
Dat kan eruitzien als luiheid, terwijl het kind eigenlijk vastloopt.
3. Perfectionisme en faalangst
Een kind dat gewend is om slim gevonden te worden, kan fouten gaan zien als bewijs dat het toch niet slim genoeg is.
Het resultaat kan zijn dat je kind:
extreem lang aan een opdracht werkt;
niet durft te beginnen;
werk niet inlevert;
alleen gemakkelijke taken kiest;
boos wordt als iets niet meteen lukt;
zegt dat het de opdracht toch stom vindt.
Niet proberen voelt dan veiliger dan proberen en misschien falen.
4. Erbij willen horen
Een hoogbegaafd kind kan merken dat het anders denkt, andere interesses heeft of sneller antwoorden weet dan klasgenoten.
Om niet op te vallen, kan het zichzelf kleiner maken.
Het kind steekt minder vaak de hand op, past taalgebruik aan, doet alsof het iets niet begrijpt of gaat bewust lagere cijfers halen.
Erbij horen kan op dat moment belangrijker voelen dan laten zien wat je kunt.
5. Een gebrek aan verbinding met school
Een kind leert niet alleen met het hoofd. Het heeft ook veiligheid, vertrouwen en verbinding nodig.
Wanneer een kind zich niet gezien, begrepen of geaccepteerd voelt, kan de motivatie verdwijnen.
Ook pesten, conflicten met docenten, een onveilige sfeer of het gevoel voortdurend verkeerd begrepen te worden, kunnen bijdragen aan onderpresteren.
6. Overprikkeling of uitputting
Hoogbegaafdheid betekent niet automatisch dat een kind alles aankan.
Een kind kan gevoelig zijn voor geluid, drukte, onrechtvaardigheid, sociale verwachtingen of voortdurende verveling. De hele schooldag aanpassen, wachten en prikkels verdragen kan veel energie kosten.
Thuis zie je dan misschien een kind dat ontploft, zich terugtrekt of nergens meer toe komt.
7. Er speelt nog iets anders
Onderpresteren kan samengaan met bijvoorbeeld ADHD, autisme, dyslexie, angst, somberheid, slaapproblemen of problemen binnen de groep.
Hoogbegaafdheid sluit andere ondersteuningsbehoeften niet uit.
Het is daarom belangrijk om niet alles automatisch aan hoogbegaafdheid toe te schrijven.
Het verschil tussen niet willen en niet meer kunnen
Van buitenaf kan het lijken alsof je kind gewoon geen zin heeft.
Het weigert huiswerk, komt te laat uit bed, maakt discussies over iedere opdracht en zegt dat school nergens voor nodig is.
Toch kan achter “ik wil niet” ook “ik weet niet hoe”, “ik durf niet” of “ik kan dit zo niet meer” zitten.
Probeer daarom niet alleen naar het gedrag te kijken.
Vraag jezelf af:
Wanneer is dit gedrag begonnen?
Bij welke vakken of situaties gaat het mis?
Zijn er momenten waarop mijn kind wél gemotiveerd is?
Wat gebeurt er wanneer een opdracht echt uitdagend wordt?
Is mijn kind bang om fouten te maken?
Voelt mijn kind zich veilig in de klas?
Zijn er lichamelijke klachten rond school?
Is mijn kind na school volledig uitgeput?
Past het onderwijs bij het leertempo en niveau?
Deze vragen geven vaak meer informatie dan de vraag waarom je kind niet gewoon beter zijn best doet.
Kan onderpresteren leiden tot thuiszitten?
Niet ieder onderpresterend kind wordt een thuiszitter. Maar langdurig niet gezien of niet passend uitgedaagd worden, kan wel bijdragen aan steeds verder vastlopen.
Een kind kan eerst minder gaan werken. Daarna ontstaan misschien conflicten, somberheid, faalangst of lichamelijke klachten. Vervolgens wordt naar school gaan steeds moeilijker.
Let daarom op signalen zoals:
regelmatig buikpijn of hoofdpijn voor school;
huilen of paniek op schooldagen;
steeds vaker ziekgemeld willen worden;
extreem moe thuiskomen;
zich volledig terugtrekken;
uitspraken als “school heeft toch geen zin”;
niet meer kunnen slapen door school;
steeds meer lessen of dagen missen.
Wacht niet tot je kind volledig thuiszit voordat je aan de bel trekt. Hoe eerder je samen onderzoekt wat er misgaat, hoe meer mogelijkheden er vaak nog zijn om bij te sturen.
Wat kun je als ouder doen?
Je hoeft niet meteen precies te weten wat de oplossing is. Begin met het verzamelen van informatie en het herstellen van contact.
1. Benoem wat je ziet zonder te oordelen
Zeg niet:
“Je bent gewoon lui.”
Of:
“Met jouw verstand moet dit makkelijk kunnen.”
Zeg liever:
“Ik zie dat je steeds moeilijker aan schoolwerk begint. Ik wil graag begrijpen wat het zo lastig maakt.”
Of:
“Het lijkt alsof school je steeds meer energie kost. Klopt dat?”
Daarmee nodig je je kind uit om te vertellen zonder dat het zich direct hoeft te verdedigen.
2. Stel kleine en concrete vragen
“Waarom doe je niks?” is vaak te groot en beschuldigend.
Vraag liever:
Welk vak kost je de meeste energie?
Wanneer haak je meestal af?
Is de uitleg te langzaam, te snel of onduidelijk?
Ben je bang dat je het niet goed genoeg doet?
Wat zou één schooldag iets makkelijker maken?
Bij welke docent voel je je wel begrepen?
Wanneer was school voor het laatst nog leuk?
Je kind heeft mogelijk niet meteen een antwoord. Dat betekent niet dat er niets speelt.
3. Houd een tijdje bij wat je ziet
Noteer gedurende enkele weken:
lichamelijke klachten;
stemming;
slaap;
schoolverzuim;
cijfers;
huiswerkproblemen;
opvallende uitspraken;
vakken waarbij het goed of juist fout gaat;
momenten waarop je kind enthousiast wordt.
Zo ontstaat een completer beeld dat je kunt meenemen naar school of een deskundige.
4. Vraag een gesprek met school aan
Bespreek niet alleen de cijfers. Vraag ook hoe je kind functioneert in de klas.
Mogelijke vragen zijn:
Hoe actief doet mijn kind mee?
Is het werk passend bij het niveau?
Wat gebeurt er als mijn kind moeilijkere opdrachten krijgt?
Hoe is het contact met klasgenoten?
Zijn er veranderingen opgevallen?
Welke ondersteuning is al geprobeerd?
Hoe wordt vastgesteld wat mijn kind nodig heeft?
Wie wordt ons vaste aanspreekpunt?
Vraag na het gesprek om de afspraken schriftelijk vast te leggen.
5. Vraag om echte uitdaging
Meer werk is niet altijd moeilijker werk.
Een kind dat zich verveelt, heeft meestal weinig aan nog twintig vergelijkbare sommen. Bespreek daarom of herhalingsstof kan worden beperkt en of er ruimte is voor verdieping, verrijking of complexere opdrachten.
Passende uitdaging moet aansluiten bij wat je kind nog moet leren. Dat kan vakinhoud zijn, maar ook plannen, samenwerken, fouten verdragen en doorzetten.
6. Maak doelen klein
Een kind dat is vastgelopen, verandert niet doordat iedereen ineens verwacht dat het weer volledig presteert.
Begin bijvoorbeeld met:
één opdracht op tijd inleveren;
samen een planning voor één dag maken;
één keer hulp vragen aan een docent;
vijftien minuten aan een moeilijke taak werken;
één haalbaar gesprek met de mentor voeren.
Kleine succeservaringen kunnen helpen om het vertrouwen langzaam terug te krijgen.
7. Zoek passende deskundigheid
Wanneer problemen aanhouden, kun je met school bespreken wie kan meekijken.
Denk aan:
de intern begeleider of zorgcoördinator;
een begeleider met kennis van hoogbegaafdheid;
het samenwerkingsverband;
het ouder- en jeugdsteunpunt;
de jeugdarts;
de huisarts;
een psycholoog of orthopedagoog.
Vraag daarbij altijd welke ervaring iemand heeft met zowel hoogbegaafdheid als onderpresteren. Niet iedere professional heeft daar gespecialiseerde kennis over.
Wat kan school doen?
Onderpresteren oplossen is niet alleen de verantwoordelijkheid van het kind of de ouders.
School kan onder andere kijken naar:
compacten van leerstof die al beheerst wordt;
verrijkende en verdiepende opdrachten;
instructie op passend niveau;
begeleiding bij leren leren;
hulp bij planning en taakaanpak;
ruimte om fouten te leren maken;
een vast aanspreekpunt;
aandacht voor sociale veiligheid;
contact met ontwikkelingsgelijken;
realistische en haalbare opbouw bij schooluitval;
regelmatig evalueren of aanpassingen werken.
Het is belangrijk dat afspraken concreet worden.
“Wij gaan het beter in de gaten houden” is moeilijk te evalueren.
Een concretere afspraak is bijvoorbeeld:
“De mentor spreekt de leerling iedere maandag tien minuten. De docent wiskunde beperkt herhaling wanneer de basisstof aantoonbaar wordt beheerst. Over vier weken bespreken ouders, leerling en school wat dit heeft opgeleverd.”
Een voorbeeldmail aan school
Je kunt bijvoorbeeld het volgende mailen:
“Wij zien dat ons kind steeds verder vastloopt in het schoolwerk. Er is een duidelijk verschil tussen wat ons kind lijkt te kunnen en wat er momenteel op school uitkomt. Daarnaast zien we thuis steeds meer uitstel, frustratie en vermoeidheid.
We willen graag samen onderzoeken of er sprake kan zijn van onderpresteren en welke factoren daarbij een rol spelen. We ontvangen graag informatie over wat school in de klas ziet, welke ondersteuning al is ingezet en hoe het onderwijs momenteel aansluit bij het niveau en de ondersteuningsbehoeften van ons kind.
Kunnen we hiervoor een gesprek plannen met de mentor en zorgcoördinator? We willen tijdens dat gesprek graag concrete afspraken maken en een moment vastleggen waarop we deze evalueren.”
Pas de mail aan op wat jij thuis daadwerkelijk ziet.
Wat kun je beter niet doen?
Uit bezorgdheid kun je als ouder steeds meer druk gaan zetten. Toch werken de volgende reacties vaak averechts:
je kind lui noemen;
voortdurend wijzen op intelligentie;
zeggen dat je kind zijn talent verspilt;
vergelijken met broers, zussen of klasgenoten;
ieder probleem zelf overnemen;
alleen straffen voor slechte cijfers;
verwachten dat alles meteen herstelt;
hoogbegaafdheid gebruiken als verklaring voor ieder probleem;
gesprekken voeren zonder je kind erbij te betrekken.
Je kind heeft grenzen en verwachtingen nodig, maar ook hulp bij wat nog niet lukt.
Wanneer is extra hulp nodig?
Zoek extra hulp wanneer je kind steeds verder vastloopt of wanneer je je zorgen maakt over de psychische of lichamelijke gezondheid.
Neem bijvoorbeeld contact op met de huisarts of jeugdarts wanneer je kind:
langdurig somber of angstig is;
bijna niet meer slaapt of eet;
vaak lichamelijke klachten heeft;
niet meer naar school kan;
zich volledig terugtrekt;
nergens meer plezier uit haalt;
zichzelf beschadigt;
zegt niet meer te willen leven.
Bij direct gevaar bel je 112. Bij gedachten aan zelfdoding kun je ook contact opnemen met 113 Zelfmoordpreventie.
Je kind is meer dan zijn prestaties
Als ouder kun je veel verdriet en frustratie voelen wanneer je ziet dat je kind vastloopt.
Je weet hoeveel mogelijkheden er zijn. Je wilt je kind wakker schudden, beschermen en vooruithelpen. Tegelijkertijd wil je niet dat ieder gesprek alleen nog over school, cijfers en gemiste kansen gaat.
Blijf daarom ook kijken naar wie je kind buiten school is.
Waar wordt je kind nieuwsgierig van? Waar kan het om lachen? Wanneer voelt het zich ontspannen? Welke talenten zie je die niet in een rapport passen?
Onderpresteren betekent niet dat je kind zijn mogelijkheden kwijt is. Het betekent ook niet dat jij als ouder hebt gefaald.
Het is een signaal dat er iets niet goed aansluit en dat je samen moet onderzoeken wat nodig is.
Begin klein.
Kijk achter het gedrag. Vraag wat er moeilijk is. Leg vast wat je ziet. Betrek school. Zoek iemand met passende kennis als jullie vastlopen.
Je kind hoeft niet eerst te bewijzen hoe slim het is om recht te hebben op onderwijs dat aansluit.
Verder lezen op Thuiszitterskompas
Lees ook:
Bronnen
Voor de inhoud van dit artikel is onder andere gebruikgemaakt van informatie van SLO, het Nederlands Jeugdinstituut en de Rijksoverheid over onderpresteren, hoogbegaafdheid en passend onderwijs.
